Audio-oefeningen 09 Hulpwerkwoord + te infinitief

Maak deze oefeningen mondeling en oefen op uitspraak, tempo en intonatie.
Spreek luidop en herhaal de oefening als het de eerste keer niet zo vlot ging.
Als het echt moeilijk gaat, kan je de oefening eerst schriftelijk voorbereiden.

9.01 Hulpwerkwoorden + te infinitief

Combineer de zinnen die je ziet tot één zin. Gebruik de constructie te + infinitief.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. Koen en Dries zitten in de zetel. Ze kijken naar het voetbal.
  • 2. Moeder staat in de keuken. Ze wast de borden af.
  • 3. Zij lopen daar op straat. Ze zingen vrolijke liedjes.
  • 4. De handdoeken hangen buiten. Ze drogen in de wind.
  • 5. De baby ligt in de armen van zijn grootmoeder. Hij slaapt rustig.
  • 6. Ik zit aan tafel. Ik denk lang na.
  • 7. Marijke ligt in de zetel. Ze luistert naar klassieke muziek.
  • 8. Roger staat buiten op de parking. Hij rookt een sigaret.
  • 9. We zitten thuis. We lezen een boek.
  • 10. De jongens zitten al de hele namiddag in het café. Ze doen onnozel.
  • 11. Nathalie staat in de winkel. Ze praat met een klant.

9.02 Hulpwerkwoorden + te infinitief

Combineer de zinnen die je ziet tot één zin. Gebruik de constructie te + infinitief.
Let goed op de plaats van het reflexief pronomen (zich).

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. Jos zit thuis. Hij ergert zich aan zijn vrouw.
  • 2. Karel staat voor de spiegel. Hij scheert zich.
  • 3. Rudy staat naast zijn bed. Hij kleedt zich uit.
  • 4. Maria ligt in haar bed. Zij verheugt zich op het feestje.
  • 5. Wij lopen. Wij haasten ons elke dag.
  • 6. Eddy zit in de Werkwinkel. Hij schrijft zich bij VDAB in.
  • 7. Ik sta in de living. Ik kleed mij aan.
  • 8. Thomas zit aan de bushalte. Hij verveelt zich verschrikkelijk.
  • 9. Teo en Tea zitten. Zij maken zich zorgen over hun zoon.
  • 10. Ben en Pieter staan bij de directeur. Ze verontschuldigen zich.
  • 11. Diana staat in de badkamer. Ze maakt zich op.

9.03 Hulpwerkwoorden + te infinitief

Antwoord positief op de vragen en gebruik ‘zullen’ in je antwoord. Opgelet, soms moet je ‘te’ gebruiken.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. Begint hij direct te studeren?
  • 2. Kan u de kast alleen verhuizen?
  • 3. Moet hij thuis blijven?
  • 4. Proberen wij een tekening te maken?
  • 5. Begint hij morgen te studeren?
  • 6. Weigert hij aan de taak mee te werken?
  • 7. Hoort ze muziek spelen?
  • 8. Kunnen we morgen op vakantie vertrekken?
  • 9. Vergeten jullie het document te ondertekenen?
  • 10. Begint ze zich tijdens de examens zenuwachtig te maken?
  • 11. Durft hij zich met dat mes te scheren?
  • 12. Probeert hij morgen pannenkoeken te bakken?

9.04 Hulpwerkwoorden + te infinitief

Combineer de zin met het werkwoord tussen haakjes. Opgelet, soms moet je het woordje ‘te’ gebruiken.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. Mijn zoon voetbalt in een toffe ploeg. (beginnen)
  • 2. Mijn kat slaapt al een uur in de zon. (liggen)
  • 3. Lees jij ook graag spannende boeken? (zitten)
  • 4. In het weekend slaap ik altijd heel lang. (willen)
  • 5. Marina droomt altijd over vliegende auto’s. (liggen)
  • 6. Mijn moeder kijkt elke dag naar ‘Familie’. (proberen)
  • 7. Ik ga graag naar de zee. (willen)
  • 8. Het vriest buiten. (gaan)
  • 9. Waarom weent je dochtertje? (beginnen)
  • 10. Fiets jij elke dag naar je werk? (proberen)
  • 11. Karel studeert elke dag twee uur (weigeren)
  • 12. Mijn oma kookt elke woensdag lekkere tomatensoep. (zullen)
  • 13. Joanna beweegt haar lichaam op het ritme van de muziek. (voelen)
  • 14. Ik bestel een pizza bij Antonio. (hopen)
  • 15. Mijn zus telefoneert elke dag een uur met haar vriend. (zitten)
  • 16. Hij verandert elke dag van mening. (mogen)
  • 17. De kruidenier opent een tweede winkel in de Kerkstraat. (beslissen)
  • 18. Betaal jij de rekening even? (willen)
  • 19. Mijn collega wandelt elke dag van het werk naar huis. (besluiten)
  • 20. Petra danst graag op exotische ritmes. (willen)
  • 21. Mijn neef verzamelt alle euromuntstukken. (moeten)
  • 22. Dit meisje praat goed Nederlands. (kunnen)
  • 23. Je gaat elke dag op café! (beslissen)
  • 24. Morgen komt hij niet naar de les. (hoeven)
  • 25. Je maakt het hele huis schoon. (laten)

9.05 Hulpwerkwoorden + te infinitief

Combineer de zin met het werkwoord tussen haakjes. Opgelet, soms moet je het woordje ‘te’ gebruiken.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. Jo en An wonen in de Brusselsestraat. (lijken)
  • 2. Wij eten op maandag altijd pannenkoeken. (mogen)
  • 3. De kinderen kijken graag naar ‘Tik Tak’. (zitten)
  • 4. Morgen word ik 35 jaar. (schijnen)
  • 5. Ik sta ’s morgens altijd om 7.00u op. (proberen)
  • 6. Die jongen werkt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. (moeten)
  • 7. Ik drink altijd koffie met melk (beslissen)
  • 8. Waarom lachen jullie nooit? (willen)
  • 9. Ik trouw morgen met de liefste man van de hele wereld. (besluiten)
  • 10. Kom jij ook naar het feest? (mogen)
  • 11. Alle eendjes zwemmen in het water. (blijven)
  • 12. Waarom huil je? (blijven)
  • 13. Ik strijk nooit. (hoeven)
  • 14. Hij rijdt helemaal niet met de auto. (durven)
  • 15. Lieve zorgt goed voor zichzelf. (vergeten)
  • 16. De was droogt in de tuin. (hangen)
  • 17. De wet geldt voor iedereen. (zullen)
  • 18. Hij geeft iedereen een opdracht. (komen)
  • 19. Drinken je kinderen vaak cola? (vergeten)
  • 20. Begrijpt u de uitleg? (denken)
  • 21. Ik hoor je niet goed. (kunnen)
  • 22. Waarom telefoneert hij jou altijd? (laten)
  • 23. Hoeveel bied jij voor dat schilderij? (denken)
  • 24. Besteed jij ook zoveel tijd aan poetsen? (weigeren)
  • 25. Hij haalt zijn zoontje af. (komen)

9.06 Hulpwerkwoorden + te infinitief

Zet het werkwoord tussen haakjes in de zin.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. Hij doet de hele dag niets (zitten).
  • 2. Daar wachten ze op de bus (staan).
  • 3. Zij denken vaak aan hun familie in het buitenland (zitten).
  • 4. Lach daar niet (staan)!
  • 5. Onze leraar zingt voortdurend liedjes (lopen).
  • 6. Hij werkt elke avond op zijn computer (zitten).
  • 7. Ze duwen daar (staan) om binnen te komen.
  • 8. Hij zegt dat hij de antwoorden van het examen kent (maak 1 hoofdzin).
  • 9. Het blijkt dat de chirurg het verkeerde been amputeert (maak 1 hoofdzin).
  • 10. Je kousen drogen aan de wasdraad (hangen).
  • 11. Het blijkt dat hij zijn been niet meer kan bewegen (maak 1 hoofdzin).
  • 12. Wie springt eerst naar beneden (durven)?
  • 13. Weet je dat hij niet komt (hoeven)?
  • 14. Ze zullen langs de achterdeur binnenkomen (proberen).
  • 15. Ik neem een paraplu mee, omdat het straks zal regenen (beginnen).

9.07 Hulpwerkwoorden + te infinitief

Zet de zin in het perfectum.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. Hij staat op de parking te wachten.
  • 2. Hij ligt elke morgen in de klas te slapen.
  • 3. Hij moet een operatie ondergaan.
  • 4. Hij ligt te rusten in zijn bed.
  • 5. Hij blijft haar maar bloemen sturen.
  • 6. Hij durft haar niet aan te kijken.
  • 7. Hij staat tegen de piano te leunen.
  • 8. Hij zit heel ontspannen te ademen.
  • 9. Ik begin op een zaterdag te werken.
  • 10. Hij hoeft me dat niet uit te leggen.
  • 11. Zij durft het hem niet te vragen.
  • 12. Zij begint op mijn zenuwen te werken.
  • 13. Hij probeert hem dat te zeggen.
  • 14. We zagen hem met grote snelheid voorbijrijden.
  • 15. Zij probeert Nederlands te spreken.

9.08 Hulpwerkwoorden + te infinitief

Maak zinnen zoals in het voorbeeld.

This text will be replaced by the flash music player.
  • Voorbeeld: Ik kom morgen op bezoek. (zullen)
  • Ik zal morgen op bezoek komen.
  • Hij wil weten of ik morgen op bezoek zal komen.

  • 1. Hij speelt al goed viool. (beginnen)
  • 2. De jongen fietst al zonder hulp van vader. (kunnen)
  • 3. Hij heeft het huiswerk gemaakt. (laten)
  • 4. Hij springt naar beneden. (durven)
  • 5. Waar kook jij zo lekker? (leren)
  • 6. Ik kom elke dag met een blij gezicht binnen. (moeten)
  • 7. Wat doe je daar de hele avond alleen op je kamer? (zitten)
  • 8. Gisteren heeft hij bij haar geslapen. (blijven)
  • 9. De klanten wachtten al de hele voormiddag. (staan)
  • 10. Hij zal tegen zijn ziekte vechten. (blijven, moeten)
  • 11. De man leerde opnieuw lopen. (moeten)
  • 12. Hij heeft de hele dag geschilderd. (staan)
  • 13. Kan je even naar mijn auto kijken? (komen)
  • 14. Ik zal morgen heel vroeg vertrekken. (moeten)
  • 15. Wanneer begrijp jij het eindelijk? (zullen)