Audio-oefeningen 08 Hulpwerkwoord + infinitief

Maak deze oefeningen mondeling en oefen op uitspraak, tempo en intonatie.
Spreek luidop en herhaal de oefening als het de eerste keer niet zo vlot ging.
Als het echt moeilijk gaat, kan je de oefening eerst schriftelijk voorbereiden.

8.01 Hulpwerkwoorden + infinitief

This text will be replaced by the flash music player.

Antwoord positief op de vragen en gebruik ‘zullen’ in je antwoord.

  • 1. Mag hij morgen het ziekenhuis verlaten?
  • 2. Begint hij direct aan zijn huiswerk?
  • 3. Blijf je in de zetel zitten?
  • 4. Kan hij dat nog voor de middag afwerken?
  • 5. Ga je hem in het ziekenhuis bezoeken?
  • 6. Laat je je haar door Veronique knippen?
  • 7. Moet hij alle rekeningen blijven betalen?
  • 8. Moet ik vannacht buiten blijven wachten?
  • 9. Kunnen we je zien lopen?
  • 10. Kunnen we het lokaal zonder sleutel openen?
  • 11. Mogen we vroeger vertrekken?

8.02 Hulpwerkwoorden + infinitief

This text will be replaced by the flash music player.

Antwoord positief op de vragen en gebruik ‘zullen’ in je antwoord.

  • 1. Wil je hem bezoeken in het ziekenhuis? (zullen) Ja, …
  • 2. Laat je je haar knippen door Veronique? (zullen) Ja, ik denk dat
  • 3. Moeten jullie hen op de computer leren werken? (zullen) Ja, …
  • 4. Help je hem aankleden? (zullen) (moeten) Ja, …
  • 5. Moet hij alle rekeningen voor haar blijven betalen? (zullen) Ja, …
  • 6. Blijf je in de zetel zitten? (zullen) (moeten) Nee, …
  • 7. Moet je nog leren zwemmen? (zullen) Ja, hij zegt dat…
  • 8. Kan hij dat nog afwerken voor de middag? (zullen) Ja, …
  • 9. Moet ik vannacht buiten blijven wachten? (zullen) Ja, …
  • 10. Laat hij hen nog al die oefeningen oplossen? (zullen) Ja, …
  • 11. Kunnen we je zien lopen, als we op de tribune zitten? (zullen) Ja, …
  • 12. Weet je morgen pas hoeveel mensen er blijven eten? (zullen) Ja, …
  • 13. Kunnen we de kluis niet openen zonder sleutel? (zullen) Ja, …
  • 14. Moet hij vertellen waarom hij het huis laat afbreken? (zullen) Ja, …
  • 15. Begint hij er morgen aan? (zullen) Ja, …

8.03 Hulpwerkwoorden + infinitief

This text will be replaced by the flash music player.

Zet de zin in het perfectum. Maak daarna een zin met: Hij zei dat...

  • 1. In de les mocht je uitsluitend Nederlands praten.
  • 2. We moesten de vrouw helpen aankleden.
  • 3. Hij deed ons veel oefeningen maken.
  • 4. Hij kwam ons nauwelijks iets van die theorie uitleggen.
  • 5. Ik leerde hem in de wachtzaal kennen.
  • 6. Ik kon die regel nooit onthouden.
  • 7. Zij liet haar haar verven (verven = schilderen).
  • 8. Je moest die taal ook studeren.
  • 9. Haar grootmoeder zag haar nooit op een podium dansen.
  • 10. Ik wilde me nooit laten opereren door mijn schoonmoeder.
  • 11. Je kon hem de röntgenfoto’s laten zien.
  • 12. Zag je haar al een spuit geven ?
  • 13. Hij kon hen behoorlijk laten oefenen. (behoorlijk : redelijk goed)
  • 14. Ik wist niet dat opa zijn haar kon laten knippen door Elvis Presley.
  • 15. Ik wou haar erover spreken, maar ze kon niet komen.

8.04 Hulpwerkwoorden + infinitief

This text will be replaced by the flash music player.

Zet het hulpwerkwoord erbij en zet de zin in de juiste tijd

  • 1. Ik reed altijd met een Ferrari. (willen) perfectum
  • 2. Schreef je ooit straf ? (mogen) imperfectum
  • 3. Jij kleedde je toen heel snel om. (moeten) imperfectum
  • 4. Wij studeerden voor kapper. (kunnen) perfectum
  • 5. Zij woonden toen op kot in Gent. (gaan) perfectum
  • 6. Hij schilderde in het atelier van Rubens. (leren)(willen) imperfectum
  • 7. U aanvaardde de ziekte. (leren) (moeten) perfectum
  • 8. Ik concentreerde me goed voor de test. (moeten) perfectum
  • 9. Jij woonde na je studies alleen. (blijven) perfectum
  • 10. Ik deed in het theater mijn jas uit. (willen) imperfectum
  • 11. Ik liet mijn zolder afbreken. (moeten) perfectum
  • 12. Ik was er nooit zeker van hoeveel mijn vader aan de belastingen betaalde. (moeten – enkel in de bijzin) perfectum
  • 13. Hij bakte voor mij pannenkoeken (willen) omdat ik hem hielp met zijn elektriciteitsproblemen. (kunnen). perfectum