08 Werkwoord: hulpwerkwoord + infinitief

In het Nederlands kan je bij een hoofdwerkwoord een ander werkwoord zetten.
Dit werkwoord geeft extra betekenis aan de zin.
Het hoofdwerkwoord staat op het einde van de zin en staat altijd in de infinitief.


1. Toekomst :

Hulpwerkwoorden: zullen (zou (zie (23))), gaan

  • We zullen(zou) morgen komen.
  • (We gaan overmorgen werken.)

2. Modale werkwoorden :

Hulpwerkwoorden: willen, moeten, kunnen, moeten

  • We moeten op tijd komen.
  • We willen veel studeren.
  • We kunnen goed praten.
  • We mogen hier niet roken.

[(- Passief) (worden(27)]

3. Andere hulpwerkwoorden:

Hulpwerkwoorden: laten, doen, zien, horen, voelen, komen, blijven, leren, helpen

  • We laten jullie wat schilderen.
  • We doen hen hard werken.
  • We zien hem lopen.
  • We horen haar roepen.
  • We voelen hem naderen.
  • We komen bij je eten.
  • We blijven van je houden.
  • We leren autorijden.
  • We helpen je koken.


Het hoofdwerkwoord staat in de infinitief en het staat altijd achteraan in de zin.
Alleen een bijzin of een zinsdeel met een prepositie kan er nog achter staan.

  • Een boer moet hard werken OP het land.
  • Een boer moet hard werken ALS hij veel geld wil verdienen.
  • Een boer moet hard werken OM veel geld TE verdienen.

Als er meerdere hulpwerkwoorden + infinitief in één zin staan, moet je een volgorde (1, 2, 3) respecteren.

  • - Op het einde van de zin staan de infinitieven bij elkaar.
  • - Tussen de infinitieven kan er niets staan.
  • - Het hoofdwerkwoord staat steeds op de laatste plaats.
  • Ik zal je morgen kunnen helpen.
  • Hij wil zijn living laten behangen.
  • Wij zullen op school moeten leren koken.

In de bijzin ( !)

  • Denk je dat hij je morgen zal kunnen helpen?
  • Ik ben er zeker van dat wij op school zullen moeten leren koken.

Het gebruik van de hulpwerkwoorden in de zin

Het eerste (hulp)werkwoord krijgt de tijd.

  • - presens - Ik moet beter studeren.
  • - imperfectum - Ik moest beter studeren. Hij kwam me helpen verhuizen.
  • - toekomst - Hij zal morgen de auto komen herstellen.

- perfectum: een aparte regel: Als er een extra hulpwerkwoord in de zin staat, verandert het participium in een infinitief.
hulpwerkwoord + dubbele infinitief

  • Ik heb het gisteren gedaan. Dit is een perfectum. We zetten het werkwoord moeten mee in de zin.
  • Ik heb dat gisteren gedaan (+ moeten)
  • Ik heb dat gisteren moeten doen.
  • Hij heeft dat gedragen (helpen).
  • Hij heeft dat helpen dragen.

De keuze tussen hebben of zijn (van het perfectum) hangt af van het eerste werkwoord !

  • Ik heb in zee gezwommen (gaan).
  • Ik ben in zee gaan zwemmen. (want : ik ben gegaan)
  • Hij heeft vannacht bij zijn grootmoeder geslapen (blijven).
  • Hij is vannacht bij haar blijven slapen. (want : ik ben gebleven)

Noot : Als het hoofdwerkwoord blijven, gaan of komen is, mag je kiezen of je hebben of zijn gebruikt.

  • Ik ben naar de markt gegaan (moeten).
  • Ik (heb)/ben naar de markt moeten gaan.
  • Wij zijn bij hem gebleven (willen).
  • Wij zijn/(hebben) bij hem willen blijven.

Deze uitleg in pdf.