Audio-oefeningen 07 Perfectum en Imperfectum

Maak deze oefeningen mondeling en oefen op uitspraak, tempo en intonatie.
Spreek luidop en herhaal de oefening als het de eerste keer niet zo vlot ging.
Als het echt moeilijk gaat, kan je de oefening eerst schriftelijk voorbereiden.

7.01 Perfectum

Zet in het perfectum. Alle werkwoorden zijn regelmatig.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. Ik (spelen) saxofoon.
  • 2. Hij (luisteren) niet naar jou.
  • 3. Ik (horen) vreemde geluiden in de kast.
  • 4. Wij (logeren) graag bij onze vrienden in Duitsland.
  • 5. Aan de grens (controleren) die man onze identiteitskaart.
  • 6. Ik (reizen) alleen naar Schotland.
  • 7. Het (regenen) de hele dag en het (waaien) ook erg hard.
  • 8. Jan (telefoneren) een half uur met Jos.
  • 9. Het kantinepersoneel (uitdelen) bij warm weer ijsjes.
  • 10. De secretaresse (bestellen) koffie voor de vergadering.
  • 11. Ze (beschouwen) hem als een belangrijke regisseur.
  • 12. Ik (luisteren) elke dag naar de radio.
  • 13. De bank (lenen) hem geen geld meer.
  • 14. De chauffeur (inhalen) de tractor.
  • 15. De vakjury (selecteren) de origineelste ontwerpen.
  • 16. Mijn zus(zorgen) voor het eten.
  • 17. Ik (wandelen) elke dag met mijn hond.
  • 18. Columbus (ontdekken) Amerika.
  • 19. We (verhuizen) de kast naar de andere kamer.
  • 20. De minister (goedkeuren) de wet.
  • 21. Tina (fietsen) alleen naar haar werk.

7.02 Perfectum

Zet de vragen in het perfectum. Gebruik het woordje ‘gisteren’ in elke vraag.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. Wat zeg je tegen haar?
  • 2. Hoeveel mensen komen er?
  • 3. Om hoe laat vertrekt de trein?
  • 4. Waarom is ze te laat?
  • 5. Wil je een ijsje?
  • 6. Wat doen ze daar?
  • 7. Waar werkt je zus?
  • 8. Hoe komt zij naar de les?
  • 9. Waarom blijft ze thuis?
  • 10. Doet hij de afwas?
  • 11. Waarom doen we een test?
  • 12. Om hoe laat komt de bus aan?
  • 13. Gaat hij met jou mee?
  • 14. Waar heeft ze een afspraak?
  • 15. Wonen ze in dat appartement?
  • 16. Wat doen jullie na de les?
  • 17. Aan welke wedstrijd doen jullie mee?
  • 18. Waarom verhuis je?

7.03 Perfectum

Zet de vragen in het perfectum. Gebruik ‘vorig weekend’ in elke vraag.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. Regent het de hele tijd?
  • 2. Doet het veel pijn?
  • 3. Is het te duur?
  • 4. Kom je langs?
  • 5. Ben je kwaad?
  • 6. Hoe laat wordt het?
  • 7. Waar ligt de krant?
  • 8. Waarom blijft ze thuis?
  • 9. Waarover praten ze?
  • 10. Hoelang zwem je in de zee?
  • 11. Hoeveel kinderen gaan er mee?
  • 12. In welke gemeente wonen ze?
  • 13. Aan wie denkt hij vaak?
  • 14. Hoe doe je dat?
  • 15. Brengt hij zijn nieuwe vriendin mee?
  • 16. Wanneer staat hij op?
  • 17. Met wie praat je?
  • 18. Waar ontmoeten jullie elkaar?
  • 19. Neem je je handtas mee?
  • 20. Waarom ken je het antwoord niet?

7.04 Perfectum met scheidbare werkwoorden

Maak met de volgende scheidbare werkwoorden zinnen in het perfectum. Begin de zin met het subject (onderwerp).

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. opnemen / de journalist / het gesprek
  • 2. afwassen / hij / de glazen
  • 3. opbellen / ik / mijn moeder
  • 4. uitlaten / mijn buurman / de hond
  • 5. uitdelen / hij / snoepjes
  • 6. klaarmaken / ze / het eten
  • 7. afbreken / de arbeiders / het huis
  • 8. ophouden / u / met babbelen
  • 9. oplossen / men / het probleem
  • 10. opmerken / de politie / de crimineel
  • 11. terugbetalen / wij / alles
  • 12. aanbellen / men / bij de dokter
  • 13. opeten / u / de hele taart
  • 14. aankleden / de moeder / haar kindje
  • 15. afhalen / ik / de bestelling
  • 16. aankomen / wij / in het station
  • 17. aantrekken / jullie / je schoenen
  • 18. innemen / de patiënt / het medicament
  • 19. nadenken / hij / over de les
  • 20. uitleggen / ik / de theorie
  • 21. terugkrijgen / je / een bedrag
  • 22. uitdoen / jullie / het licht
  • 23. buitenkomen / ze / samen
  • 24. voorschrijven / de dokter / een zalf
  • 25. overschrijven / jullie / het bedrag

7.05 Perfectum met scheidbare werkwoorden

Maak met de volgende scheidbare werkwoorden zinnen in het perfectum. Begin de zin met het subject (onderwerp).

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. invullen / jullie / het formulier
  • 2. schoonmaken / de buurvrouw / haar bril
  • 3. uitkiezen / de kindjes / een cadeautje
  • 4. klaarzetten / je / de borden
  • 5. meenemen / hij / bloemen
  • 6. opleiden / VDAB / de cursisten
  • 7. oversteken / de oude man / de straat
  • 8. afspreken / u / met haar
  • 9. inrichten / mijn zus / haar huis
  • 10. meebrengen / de gasten / een fles wijn
  • 11. terugsturen / hij / de brief
  • 12. aanpassen / we / onze snelheid
  • 13. afdrogen / jij / de borden
  • 14. uitkleden / de verpleegster / de patiënt
  • 15. afzetten / de student / de pc.
  • 16. aannemen / de baas / 10 nieuwe mensen
  • 17. opstaan / wij / te laat
  • 18. dichtdoen / je / het venster
  • 19. opdrinken / de baby / alles
  • 20. opschrijven / de auteur / een verhaal
  • 21. opzoeken / men / de informatie
  • 22. uitgaan / jij / elke zaterdag
  • 23. uittrekken / wij / onze sokken
  • 24. binnengaan / hij / het gebouw
  • 25. rondrijden / men / in een nieuwe auto

7.06 Perfectum met zich

Zet de volgende reflexieve werkwoorden in het perfectum. Gebruik de persoon tussen haakjes.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. zich verontschuldigen (u)
  • 2. zich vergissen (jullie)
  • 3. zich aankleden (hij)
  • 4. zich scheren (ik)
  • 5. zich inschrijven (jij)
  • 6. zich voelen (ik)
  • 7. zich schamen (hij)
  • 8. zich kwaad maken (wij)
  • 9. zich uitkleden (jij)
  • 10. zich afdrogen (wij)
  • 11. zich wegen (ik)
  • 12. zich concentreren (jij)
  • 13. zich bevinden (hij)
  • 14. zich bedenken (wij)
  • 15. zich omdraaien (jullie)
  • 16. zich abonneren (jij)

7.07 Perfectum met zich

Zet de volgende reflexieve werkwoorden in het perfectum. Gebruik de persoon tussen haakjes.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. zich haasten (u)
  • 2. zich wassen (jullie)
  • 3. zich amuseren (u)
  • 4. zich vervelen (hij)
  • 5. zich bemoeien (ik)
  • 6. zich verslikken (u)
  • 7. zich aanpassen (jij)
  • 8. zich ergeren (ik)
  • 9. zich ontspannen (wij)
  • 10. zich verstoppen (jullie)
  • 11. zich herinneren (hij)
  • 12. zich boos maken (wij)
  • 13. zich gedragen (jullie)
  • 14. zich voorstellen (wij)
  • 15. zich verspreken (hij)
  • 16. zich verheugen (ik)

7.08 Perfectum - Gemengde oefening

Maak goede zinnen. Zet in het perfectum.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. Wie (invullen) het formulier?
  • 2. Waarom (meedoen) je niet?
  • 3. (zich aankleden) je in de badkamer?
  • 4. Met welke handdoek (zich afdrogen) je kinderen?
  • 5. (afwassen) je na het eten?
  • 6. Hoeveel mensen (zich inschrijven) voor de cursus?
  • 7. (zich schamen) je niet?
  • 8. Wanneer (zich verontschuldigen) je zus bij de directeur?
  • 9. Waarover (zich maken) wij boos?
  • 10. Waarom (inrichten) je je appartement zelf?
  • 11. Op welke dag (afspreken) je met mij?
  • 12. Hoe (opbellen) hij zijn zus?
  • 13. (meegaan) je buurman naar het festival?
  • 14. Welke persoon (oplossen) je probleem?
  • 15. (oversteken) u de straat alleen?
  • 16. (ontvoeren) de criminelen nog steeds toeristen?
  • 17. (opeten) je al de aardbeien?
  • 18. Welke schoenen (meenemen) je broer?
  • 19. Aan welke halte (instappen) jullie?
  • 20. Voor welke fouten (oppassen) je?
  • 21. (uitkiezen) je een mooie trui?
  • 22. (uitdelen) u zelf de chocolade?
  • 23. Wie (ontmoeten) je deze namiddag?
  • 24. Waarom (zich wassen) je zo vaak?
  • 25. Wanneer (zich scheren) je man?
  • 26. Wie (dichtdoen) de deur?
  • 27. (zich vervelen) jullie in de vakantie?
  • 28. Op welke manier (zich ontspannen) hij?
  • 29. Welke leugens (ontkennen) je?
  • 30. Hoe vaak (zich opmaken) je moeder?
  • 31. Wie (zich bemoeien) met mijn zaken?
  • 32. (zich aantrekken) je iets van haar probleem?

7.09 Perfectum

Maak correcte zinnen in het perfectum. Let goed op de plaats van zich.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. Mijn broer (zich scheren) elke morgen.
  • 2. Griet (zich vergissen) waarschijnlijk.
  • 3. Wij (zich wassen) met koud water.
  • 4. Je (zich schamen) voor je neus.
  • 5. Wij (zich aanpassen) aan de groep.
  • 6. Ik (zich voelen) vandaag erg moe.
  • 7. Anita (zich aankleden) heel snel.
  • 8. De jongens (zich verontschuldigen) bij de leraar.
  • 9. Dimitri (zich ergeren) aan luide muziek.
  • 10. Jullie (zich haasten) nooit.
  • 11. Wij (zich afdrogen) na het zwemmen.
  • 12. De man (zich herinneren) niets van het ongeval.

7.10 Perfectum

Maak goede zinnen in het perfectum. Begin je zin met het schuine stuk.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. (vergaderen) / de hele voormiddag / met onze baas / wij /.
  • 2. Heidi / (fietsen) / vorig weekend / naar Averbode / .
  • 3. (afprinten) / een uur geleden / de secretaresse / de documenten / .
  • 4. het bord / onze lerares / vandaag al vijf keer / (afvegen) / .
  • 5. (verzorgen) / Rosa / haar zieke moeder / vijf jaar lang / .
  • 6. de catalogus van Maatje Meer / Ronny / (bestellen) / 2 dagen geleden / .
  • 7. gisterenavond / Mark / (telefoneren) / een half uur / met zijn zus / .
  • 8. (kuisen) / haar ramen / mijn buurvrouw / deze morgen / .
  • 9. de muren van mijn slaapkamer / maandagavond / (verven) / blauw / ik / .
  • 10. mijn collega / het afval / (gooien) / daarstraks / in de vuilbak /.
  • 11. (zich haasten) / deze morgen / ik / heel erg / .

7.11 Perfectum

Maak goede zinnen in het perfectum. Begin je zin met het schuine stuk.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. (zich vervelen) / ik / gisteren /de hele dag / .
  • 2. vanmorgen / een sigaret / de directeur / (roken) / .
  • 3. Jessica / (uitnodigen) / ik / voor mijn verjaardagsfeestje / .
  • 4. (aandoen) / ik / vanmorgen / mijn nieuwe, rode broek / .
  • 5. vanmorgen / ik / (zich haasten) / heel erg / .
  • 6. (zich wassen) / jij / deze morgen / ?
  • 7. (zich vergissen) / nog nooit / jullie / ?
  • 8. (blijven) / op het feest / tot 2.00u / ik / .
  • 9. (zich amuseren) / wij / gisteren / heel goed / .
  • 10. (meenemen) / mijn slaapzak / ik / naar de Ardennen / .