05 Werkwoord : Reflexieve Werkwoorden

Een aantal Nederlandse werkwoorden zijn reflexief. Dit betekent dat het object altijd een vorm van zich is.
(zich vervelen, zich wassen, zich scheren, zich schamen, zich afvragen, zich gedragen, zich verontschuldigen, ...)

De meeste van deze werkwoorden worden altijd vervoegd met zich (zich amuseren, zich verontschuldigen, ...), maar sommige kunnen ook een normaal object hebben.

  • Ik was me.
  • Ik was mijn handen.

  • Hij scheert zich.
  • Hij scheert zijn kin glad.

- De vorm van zich komt overeen met het subject.

ik  amuseer  me 
jij, je  amuseert  je 
amuseert  zich, u 
hij, zij  amuseert  zich 
wij  amuseren  ons 
jullie  amuseren  je 
zij, ze  amuseren  zich 

- Het reflexieve deel (zich) staat altijd achter het eerste werkwoord.

  • Wij wassen ons elke dag met zeep (zich wassen).
  • Ik wil me graag verontschuldigen (zich verontschuldigen).

  • - Alleen bij inversie of in een bijzin staat het achter het subject.

  • Amuseer je je (zich amuseren) ?
  • Vandaag vervelen wij ons erg.

Let op:

In een bijzin blijft het reflexieve deel altijd bij het subject staan (enkel het werkwoord vliegt naar achter).

  • Hij stinkt omdat hij zich niet wast (zich wassen).
  • (Niet * : Hij stinkt omdat hij niet zich wast.)

- Noot voor Franssprekenden: de reflexieve werkwoorden worden in het Nederlands altijd vervoegd met hebben in het perfectum en nooit met zijn.

  • Ik heb me geamuseerd.
  • Hij heeft zich goed aangepast.

- Let op voor de imperatief bij deze werkwoorden:
Een imperatief heeft nooit een subject. De u is geen subject, maar een vorm van zich!

  • Amuseer u goed!
  • Was u maar zelf!

Deze uitleg in pdf.