Audio-oefeningen 04 Scheidbare Werkwoorden

Maak deze oefeningen mondeling en oefen op uitspraak, tempo en intonatie.
Spreek luidop en herhaal de oefening als het de eerste keer niet zo vlot ging.
Als het echt moeilijk gaat, kan je de oefening eerst schriftelijk voorbereiden.

4.03 Scheidbare werkwoorden

Maak met de volgende scheidbare werkwoorden een zin in het presens. Begin met het subject.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. invullen / jullie / het formulier
  • 2. schoonmaken / de buurvrouw / haar bril
  • 3. uitkiezen / de kindjes / een cadeautje
  • 4. klaarzetten / je / de borden
  • 5. meenemen / hij / bloemen
  • 6. opleiden / VDAB / de cursisten
  • 7. oversteken / de oude man / de straat
  • 8. afspreken / u / met haar
  • 9. inrichten / mijn zus / haar huis
  • 10. meebrengen / de gasten / een fles wijn
  • 11. terugsturen / hij / de brief
  • 12. aanpassen / we / onze snelheid
  • 13. afdrogen / jij / de borden
  • 14. uitkleden / de verpleegster / de patiënt
  • 15. afzetten / de student / de pc
  • 16. aannemen / de baas / 10 nieuwe mensen
  • 17. opstaan / wij / te laat
  • 18. dichtdoen / je / het venster
  • 19. opdrinken / de baby / alles
  • 20. opschrijven / de auteur / een verhaal
  • 21. opzoeken / men / de informatie
  • 22. uitgaan / jij / elke zaterdag
  • 23. uittrekken / wij / onze sokken
  • 24. binnengaan / hij / het gebouw
  • 25. rondrijden / men / in een nieuwe auto

4.04 Scheidbare werkwoorden

Maak met de volgende scheidbare werkwoorden vragen zonder vraagwoord.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. opnemen / de journalist / het gesprek
  • 2. afwassen / hij / de glazen
  • 3. opbellen / ik / mijn moeder
  • 4. uitlaten / mijn buurman / de hond
  • 5. uitdelen / hij / snoepjes
  • 6. klaarmaken / ze / het eten
  • 7. afbreken / de arbeiders / het huis
  • 8. ophouden / u / met babbelen
  • 9. oplossen / men / het probleem
  • 10. opmerken / de politie / de crimineel
  • 11. terugbetalen / wij / alles
  • 12. aanbellen / men / bij de dokter
  • 13. opeten / u / de hele taart
  • 14. aankleden / de moeder / haar kindje
  • 15. afhalen / ik / de bestelling
  • 16. aankomen / wij / in het station
  • 17. aantrekken / jullie / je schoenen
  • 18. innemen / de patiënt / het medicament
  • 19. nadenken / hij / over de les
  • 20. uitleggen / ik / de theorie
  • 21. terugkrijgen / je / een bedrag
  • 22. uitdoen / jullie / het licht
  • 23. buitenkomen / ze / samen
  • 24. voorschrijven / de dokter / een zalf
  • 25. overschrijven / jullie / het bedrag

4.05 Scheidbare werkwoorden

Maak met de volgende scheidbare werkwoorden een vraag met Waarom.

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. invullen / jullie / het formulier
  • 2. schoonmaken / de buurvrouw / haar bril
  • 3. uitkiezen / de kindjes / een cadeautje
  • 4. klaarzetten / je / de borden
  • 5. meenemen / hij / bloemen
  • 6. opleiden / VDAB / de cursisten
  • 7. oversteken / de oude man / de straat
  • 8. afspreken / u / met haar
  • 9. inrichten / mijn zus / haar huis
  • 10. meebrengen / de gasten / een fles wijn
  • 11. terugsturen / hij / de brief
  • 12. aanpassen / we / onze snelheid
  • 13. afdrogen / jij / de borden
  • 14. uitkleden / de verpleegster / de patiënt
  • 15. afzetten / de student / de pc
  • 16. aannemen / de baas / 10 nieuwe mensen
  • 17. opstaan / wij / te laat
  • 18. dichtdoen / je / het venster
  • 19. opdrinken / de baby / alles
  • 20. opschrijven / de auteur / een verhaal
  • 21. opzoeken / men / de informatie
  • 22. uitgaan / jij / elke zaterdag
  • 23. uittrekken / wij / onze sokken
  • 24. binnengaan / hij / het gebouw
  • 25. rondrijden / men / in een nieuwe auto

4.06 Scheidbare werkwoorden

This text will be replaced by the flash music player.
  • 1. Hoe (opslaan) je de nieuwe informatie op je harde schijf?
  • 2. Waarom (verstaan) je niet wat ik je (uitleggen)?
  • 3. Hij niet (weten) hoeveel geld hij (opdoen).
  • 4. (Oppassen – imperatief) als je (instappen).
  • 5. Je (opnemen) de telefoon en (inspreken) dan een boodschap op het antwoordapparaat.
  • 6. Als je (afgeven) het pakje, moet je (vastmaken) dit kaartje eraan.
  • 7. Als je een vraag wil stellen, (opsteken) je je hand.
  • 8. Wanneer (binnenkomen) de volgende patiënt?
  • 9. Ik (opbellen) je om te (afspreken) wanneer je (vertrekken).
  • 10. Als je (uitdoen) je schoenen niet, (afvegen) je ze aan de mat.
  • 11. Is dit de adapter die je (gebruiken) altijd om je gsm (opladen)?
  • 12. Als zij (binnenkomen) de kamer, (opzetten) zij direct de radio.
  • 13. (Dichtdoen – imperatief) de deur en (neerzetten) u.
  • 14. Waarom (afwassen) jij altijd? Ik wil dat jij (afdrogen) ook eens.
  • 15. (Opdrinken) je je koffie ? Dan ik (afrekenen).

4.07 Scheidbare werkwoorden en 'om te + infinitief'

This text will be replaced by the flash music player.

Voorbeeld: Ik ga vanavond niet uit, want het regent te hard.
Inderdaad. Het regent te hard om vanavond uit te gaan.

  • 1. Doe het licht niet aan, want het is te vroeg.
  • 2. Zet het raam niet open, want het is te koud.
  • 3. Bel niet terug, want het is te laat.
  • 4. Schrijf de zin (m) niet op, want het duurt te lang.
  • 5. Eet dat niet op, want het is te vet.
  • 6. Ga vanavond niet uit, want je hebt geen tijd.
  • 7. Was vanavond niet meer af, want je bent te moe.
  • 9. Sta niet vroeg op, want je bent te ziek.
  • 10. Loop niet in de regen, want je bent te verkouden.
  • 11. Pauzeer niet, want je hebt het te druk.
  • 12. Doe niet mee aan de schoonheidswedstrijd, want je bent te lelijk.
  • 13. Doe niet mee aan de Olympische Spelen, want je bent te oud.
  • 14. Zet de verwarming (v) niet op, want het is hier te warm.
  • 15. Draag die doos (v) niet zelf, want ze is te zwaar.